TIJDSCHRIFTEN


De intergewestelijke transfers in België
Luc Beyaert (samenvatting van de studie van Henri Capron), tijdschrift 3/2007

In ieder land zijn er financiële transfers of geldstromen van de meer gegoede of rijkere gewesten naar de armere gewesten. Het is een vorm van solidariteit binnen een samenleving, die we ook terugvinden op Europees niveau. Sinds lange tijd is het bestaan van financiële transfers van het noorden naar het zuiden een onderwerp dat deel uitmaakt van het politieke debat in ons land en de ware omvang van deze stromen maakt het voorwerp uit van discussies. De cijfers variëren tussen de 3 en 13 milliard euro, naar gelang de bronnen.

Henri Capron, professor economie aan de U.L.B. heeft de interregionale transfers in België bestudeerd. Hij heeft de resultaten van deze studie gepubliceerd in “Réformer sans tabous ” (“hervormen zonder taboe”) (1) onder de titel “fédéralisme, transferts interrégionaux et croissance régionale” (“federalisme, intergewestelijke transfers en gewestelijke groei ”). Naar aanleiding van de verkiezingen van 10 juni 2007, biedt “Réformer sans tabous” een toegankelijke verduidelijking, beknopt en politiek neutraal, bij tien belangrijke vragen voor het België van morgen, behandeld door experten met een scherpe kennis over het onderwerp.

Zo onthult Henri Capron voor ons dat de realiteit van de transfers complexer is dan deze op het eerste zicht lijkt te zijn. De realiteit van de transfers kan niet ontkend worden. Maar, dankzij een methodologie gebaseerd op de gewestelijke boekhouding, is hij de eerste om de transfers op een subgewestelijk niveau te bestuderen. Om deze transfers te meten, wordt meestal uitgegaan van de inkomsten, want deze leveren de meest pertinente visie op, van de bijdrage van een regio tot de productie van de nationale rijkdom.

Hieruit blijkt dat, zelfs indien de transfers voornamelijk uit het geheel van het Vlaamse gewest naar het Waalse gewest gaan, deze transfers zich voornamelijk rond slechts enkele regio’s concentreren. Halle-Vilvoorde, Leuven en Waals-Brabant leveren samen meer dan de helft (54,9%), van de financiering van de transfers. Drie arrondissementen (op 43) vormen de voornaamste begunstigden: Charleroi, Bergen en Luik, die samen 53,5% van de transfers ontvangen. Tussen de andere arrondissementen die van de nationale solidariteit genieten, vinden we eveneens de volgende Vlaamse arrondissementen: Ieper, Oostende, Diksmuide, Veurne, Roeselare, Kortrijk, Tielt, Eeklo, Oudenaarde, Hasselt, Maaseik en Tongeren, die samen 14,1% van de transfers ontvangen. Met uitzondering van Waals-Brabant, Namen en Waremme, genieten alle Waalse arrondissementen van de transfers. Maar deze zijn van weinig belang. Met andere woorden, komt het grootste deel van de transfers uit Waals en Vlaams-Brabant en niet enkel van het Vlaamse gewest.

Op basis van wat voorafgaat, mag men besluiten dat de transfers slechts een beperkt aantal arrondissementen betreffen : het zijn inderdaad de drie armste en de drie rijkste die de meerderheid van de transfers dekken. Anderzijds toont het belang van de drie Brabantse arrondissementen de rol aan die de economische pool rond Brussel speelt in de herverdeling van de inkomsten naar de andere arrondissementen.

De auteur onderstreept eveneens dat Brussel tewerkstelling biedt aan 8 à 9 % van de actieve Vlaamse bevolking. Al te vaak houden de statistieken die in Vlaanderen gepubliceerd worden geen rekening met het belang van Brussel bij de financiering van de transfers. Vaak is het zelfs het tegenovergestelde, en blijkt het Brussels gewest er begunstigde te zijn: de transfers zijn immers berekend op basis van de woonplaats en niet op basis van de werkplaats van de Belgen.

Brussel vormt een belangrijke strategische inzet voor de twee andere gewesten. Door een splitsing van het land zouden deze gewesten veel voordelen verliezen op gebied van welzijn.

Indien de transfers afgeschaft werden, zou de levensstandaard van meerdere regio’s in Wallonië gevoelig dalen: in het arrondissement Charleroi met bijna 17%; Het verlies zou 10 % bedragen in de arrondissementen Luik, Bergen en Moeskroen. In Vlaanderen hangt de levensstandaard van de gezinnen eveneens af van de solidariteit, met iets meer dan gemiddeld 5% in de arrondissementen Ieper en Diksmuide en in mindere mate in 9 arrondissementen, die voornamelijk in West-Vlaanderen en Limburg gelegen zijn.

Vooraleer we ons afvragen of de aard van de transfers in België van het noorden naar het zuiden buitenmatig is, dringt een vergelijking op Europees niveau zich op. Hoewel de herverdelingssystemen van land tot land sterk verschillen, laat deze vergelijking toe om wijdverspreide standpunten hieromtrent gevoelig te relativeren. Zo is het bedrag van de transfers ten gunste van Henegouwen, de voornaamste begunstigde van de solidariteit in België, vergelijkbaar met de transfers waarvan Wales en Merseyside in het Verenigd Koninkrijk genieten, of Asturië in Spanje, die eveneens oude industriegebieden zijn, die geconfronteerd worden met de problemen van economische reconversie.

Henri Capron toont aan dat de noord-zuid transfers in België zich op het gemiddeld Europees niveau bevinden, in vergelijking met datgene wat gangbaar is in andere staten, die al dan niet een federale structuur hebben. Het probleem stelt zich door het onevenwicht tussen de verschillende gefedereerde entiteiten en het feit dat dit het debat blijft voeden tussen de twee grote taalgemeenschappen.

Er blijkt tevens ook dat Wallonië niet één van de meest ondersteunde regio’s in Europa is.

De auteur verduidelijkt dat de schatting, zeg maar meestal de overschatting van de transfers, vaak het discours van de voorstanders van een versterkte autonomie of van het separatisme voedt. Anderzijds is het erg moeilijk om bepaalde bronnen van transfers met precisie en voldoende objectiviteit te meten.

Na de wetgevende verkiezingen van 10 juni 2007 zullen wellicht een nieuwe reeks institutionele hervormingen plaatsvinden. Wij kunnen slechts hopen dat deze leiden tot een betere toepassing van de principes van solidariteit, rechtvaardigheid en efficiëntie die het fundament van een federale staat vormen en dat ze niet leiden tot een nieuwe stap die een terugkeer betekent naar de eigen identiteit. Daarbij komt nog dat het voor Wallonië ook noodzakelijk is om actief verder te blijven ijveren voor zijn economische ontplooiing.

Wij kunnen u de lectuur van deze zeer onderbouwde studie van Henri Capron ten zeerste aanbevelen (1).

Voetnoot :

(1) « Réformer sans tabous » : bijzonder nummer van het tijdschrift « Reflets et perspectives de la vie économique » - Editions De Boeck Université.

Over de transfers (twee verschillende stellingen):
« Vlaanderen-Wallonia - Je t’aime moi non plus » van Rudy Aernoudt – Vif Editions.
“ Manifest voor een zelfstandig Vlaanderen in Europa “ - denkgroep “ In de Warande”

TERUG

BULLETINS


Les transferts interrégionaux en Belgique
Luc Beyaert (résumé de l'étude d'Henri Capron), bulletin 3/2007

Dans chaque pays, il y a des transferts financiers ou des flux d’argent de régions plus favorisées ou plus riches vers des régions plus pauvres. C’est une forme de solidarité au sein de notre société qu’on retrouve également au niveau européen. Depuis bien longtemps, l’existence des transferts financiers du nord vers le sud anime le débat politique dans notre pays et l’ampleur réelle de ces flux reste un sujet de controverse. Les chiffres peuvent varier de 3 à 13 milliards d’euros, selon les sources.

Henri Capron, professeur d’économie à l’U.L.B., a étudié les transferts interrégionaux en Belgique. Il vient de publier les résultats de cette étude dans « Réformer sans tabous » (1) sous le titre « fédéralisme, transferts interrégionaux et croissance régionale ». A l’occasion des élections du 10 juin 2007, « Réformer sans tabous » nous offre un éclairage abordable, succinct et politiquement neutre, sur dix questions importantes pour la Belgique de demain, traitées par des experts ayant une connaissance aiguë du sujet.

Ainsi, Henri Capron nous révèle que la réalité des transferts est bien plus complexe qu’il n’y paraît. La réalité des transferts ne peut être niée. Mais, grâce à une méthodologie basée sur la comptabilité régionale, il est le premier à mesurer les transferts au niveau sous-régional. Pour mesurer ces transferts, l’approche basée sur les revenus est la plus souvent retenue car elle permet une vision plus pertinente de la contribution d’une région à la production de la richesse nationale.

Il en ressort que, même si les transferts se font effectivement prioritairement de l’ensemble de la région flamande vers la région wallonne, ces transferts sont en fait concentrés sur fort peu de régions. Hal - Vilvorde, Louvain et le Brabant Wallon contribuent ensemble pour plus de la moitié (54,9%) au financement des transferts. Trois arrondissements (sur 43) constituent les principaux bénéficiaires : Charleroi, Mons et Liège, qui perçoivent ensemble 53,5% des transferts. Parmi les autres arrondissements qui bénéficient de la solidarité nationale, on retrouve également les arrondissements flamands suivants : Ypres, Ostende, Dixmude, Furnes, Roulers, Courtrai, Tielt, Eeklo, Audenarde, Hasselt, Maaseik et Tongres, soit ensemble 14,1 % du montant total des transferts. A l’exception du Brabant Wallon, de Namur et de Waremme, tous les arrondissements wallons bénéficient de transferts. Cependant ces transferts sont peu significatifs. En d’autres termes, la majeure partie des transferts provient du Brabant Wallon et Flamand et non de la région flamande uniquement.

Sur base de ce qui précède, on peut conclure que les transferts ne concernent qu’un nombre limité d’arrondissements : en effet les trois plus pauvres et les trois plus riches couvrent la majorité des transferts. D’autre part, le poids important des trois arrondissements brabançons met en évidence le rôle joué par le pôle économique autour de Bruxelles dans la redistribution des revenus vers d’autres arrondissements.

L’auteur souligne aussi que Bruxelles offre de l’emploi à 8 à 9 % de la population active flamande.

Or, bien souvent, les statistiques livrées en Flandre ne rendent pas compte de l’importance de Bruxelles dans le financement des transferts. Au contraire même, la région bruxelloise y apparaît comme bénéficiaire : les transferts sont calculés sur base du domicile et non du lieu de travail des Belges.

Bruxelles constitue un enjeu stratégique majeur pour les deux autres régions, dont les avantages qu’elles retirent en termes de bien-être et d’externalités se verraient érodés par la scission du pays.

Si on supprimait les transferts, le niveau de vie de plusieurs régions en Wallonie baisserait d’une façon importante : dans l’arrondissement de Charleroi de près de 17 % ; La perte serait de 10% dans les arrondissements de Liège, Mons et Mouscron. En Flandre également le niveau de vie des ménages dépend en moyenne d’un peu plus de 5 % de la solidarité dans les arrondissements de Dixmude et d’Ypres et dans une moindre mesure dans 9 arrondissements situés en Flandre Occidentale et au Limbourg principalement.

Afin d’apprécier le caractère démesuré ou non des transferts Nord-Sud en Belgique, une comparaison s’impose au niveau européen. Même si les systèmes de redistribution sont sensiblement différents d’un pays à l’autre, cette comparaison permet de relativiser sensiblement certains points de vue assez répandus. Ainsi le montant des transferts en faveur du Hainaut, le principal bénéficiaire de la solidarité en Belgique, est comparable aux transferts dont bénéficient par exemple le Pays de Galles et le Merseyside au Royaume-Uni ou les Asturies en Espagne, qui sont aussi des régions de vieille tradition industrielle confrontées à des problèmes de reconversion économique.

Henri Capron démontre que les transferts Nord-Sud observés en Belgique sont dans la moyenne européenne, par rapport à ce qui est pratiqué dans les autres états, qu’ils soient ou non fédéraux. Ce qui soulève problème, c’est le déséquilibre qu’ils induisent entre les différentes entités fédérées en alimentant ainsi le débat entre les deux grandes communautés linguistiques.

Il en ressort également que la Wallonie n’est pas une des régions les plus assistées d’Europe.
L’auteur précise que les estimations, souvent surestimées, sur les transferts servent à alimenter les discours des partisans tant d’une autonomie renforcée que du séparatisme. D’autre part, il est fort difficile de mesurer certaines sources de transferts avec précision et de façon objective.

A l’issue des élections législatives du 10 juin 2007, on assistera probablement à un nouveau train de réformes institutionnelles. On ne peut qu’espérer qu’elles conduisent à une meilleure application des principes de solidarité, d’équité et d’efficacité qui servent de fondement à un état fédéral et non au franchissement d’une nouvelle étape vers un repli identitaire. En plus il est indispensable pour la Wallonie de continuer à œuvrer activement pour son redéploiement économique.

Nous ne pouvons que vous recommander la lec ture de cette étude très documentée d’Henri Capron (1).

Note :

(1) « Réformer sans tabous » : numéro spécial de la revue « Reflets et perspectives de la vie éco nomique » - Editions De Boeck Université.

Sur les transferts (deux thèses différentes):
« Flandre-Wallonie - Je t’aime moi non plus » de Rudy Aernoudt – Vif Editions.
“ Manifest voor een zelfstandig Vlaanderen in Europa “ - denkgroep “ In de Warande”

RETOUR



(c) Copyright - Pro Belgica vzw-asbl - 2008.