TIJDSCHRIFTEN


België, een STAAT, een NATIE
Albert Paternostre, tijdschrift 4/2003

Sommige “grote denkers” uit binnen- en buitenland verklaren met klem : “België is een artificiële Staat”. Toegegeven, ons land heeft geen natuurlijke grenzen. Het is nochtans ooit anders geweest, immers, ten tijde van Julius Caesar strekte het grondgebied van de Belgische stammen zich uit van de Seine enerzijds, tot aan de Noordzee en de Rijn anderzijds. De wederwaardigheden der Geschiedenis hebben de uitgestrektheid van dat gebied naar de helft teruggebracht.

Er zijn drie taalgemeenschappen in België, dat is waar. Waar er daardoor problemen bestonden, zijn die nu, althans in theorie en behalve bij luttele uitzonderingen, opgelost. De Flaminganten van de XIXde eeuw waren goede patriotten, en eisten respect voor hun taal, maar geen haar op hun hoofd vroeg om separatisme, zij voelden zich erg Belg.

Natuurlijke grenzen en een homogeen taalgebruik bevorderen het ontstaan en het behoud van een Natie.

De Belgische Staat zoals wij hem kennen, vindt zijn oorsprong in de Revolutie van 1830. Vóór die datum werden de Belgen bestuurd, na Karel V, door de koning van Spanje en daarna door de keizer van Oostenrijk. Politiekgewijs zijn wij sinds de scheuring van de Lage Landen onder Filips de Tweede, bestuurd door buitenlandse prinsen, die ons altijd een moeilijk te besturen volk hebben gevonden!

Maar en zijn andere factoren die de bovenvermelde handicaps compenseren.

De eerste factor waarover ik wil schrijven is de liefde voor de vrijheid. Deze emotie werd al duidelijk onder Julius Caesar die stelde dat, van alle Galliërs, de Belgen de moedigsten waren. Want zij hebben gevochten tot de bittere dood om geen horigen van Rome te worden, om Belg te kunnen blijven. De Romeinen waren echter sterker… Deze obsessie van “vrij zijn” heeft doorheen de eeuwen vaak revoluties veroorzaakt tegen hun prinsen, van adelijke gedachten zeker maar meestal van het buitenland. De voorbeelden zijn talrijk : Van Artevelde tegen de Graaf van Vlaanderen, aan de zijde van de Franse Koning, de Graven Van Egmont en Horne die zich verweerd hebben tegen het bewind van de Hertog van Alva, gestuurd door de koning van Spanje; de revolutie van 1790 tegen de keizer van Oostenrijk en ook nog de fameuze Revolutie van 1830 tegen de Nederlandse koning.

De persoonlijkheid kennende van prins Leopold van Saksen-Coburg Gotha, is het denkbaar dat hij de kroon van het koninkrijk België had aanvaard, bij twijfel over het nationaal karakter van de bevolking, waarvan hij wist dat ze moeilijk te besturen was.

Sinds 1830 hebben onze bestuurders, onder het bewind van onze Koningen zich verzet tegen elke poging van vreemde legers, die ons territorium wilden doorkruisen, met in hun achterhoofd de bedoeling ons te bezetten of ons land in te nemen. Telkenmale heeft de bevolking zich achter deze beslissing geschaard. De Belgen hebben gevochten in 1914 en in 1940, ze hebben verzet georganiseerd tegen de bezetters, zonder vrees voor de vijand, en hun leven opofferend.

Een tweede compenserende factor om een Natie bij elkaar te houden zijn de gedeelde beproevingen, die bij de verschillende delen van de bevolking een geest van solidariteit hebben gecreëerd. De voorbije twee wereldoorlogen bewijzen hoe groot die solidariteit is. Politiek man Jules Destrée, die in 1912 (dus voor de oorlog) in zijn Brief aan de Koning over de splitsing van Vlaanderen en Wallonië verklaarde: “…Sire, er zijn geen Belgen”, is op zijn woorden terug gekomen in mei 1916. In de Franse blad “La Grande Revue” schrijft hij : “De Belgen hebben het verlangen en de wil samen te leven gemanifesteerd, een grote drang naar vrijheid en onafhankelijkheid… Alzo is België een natie, onvernietigbaar.” (Deze twee teksten zijn opgenomen in het boek : Le grand siècle de la nationalité belge, vol. 2, van 1830 tot 1918, door Jean Stengers en Eliane Gubin, éditions Racine.)

Wij hebben geen als grens dienstdoende stromen, maar de Schelde en de Maas stromen van Zuid naar Noord en doen commerciële banden ontstaan tussen de industriëlen van de Borinage van Charleroi, Luik, en de handelaars uit Zeebrugge, Antwerpen. Onze vorsten hebben de bouw van kanalen gestimuleerd, die als een spinnenweb al onze regionen verbinden. Is dat blijk geven van een artificiële toestand, als Staat ?

Folklore is ook een manifestatie van nationaal gevoel. Ook al behoren ze prioritair toe aan kleine entiteiten zoals de gemeenten, vindt men gelijke uitingen ervan in het Zuiden ook in het Noorden van het land; lijken de waadlopers van Namen niet erg op die van Merchtem? (Ze dragen dezelfde kleuren, rood en geel ) ! De reuzen van Ath, zijn die van een ander soort dan die van Vilvoorde, bijvoorbeeld ?

De kunst is eclectischer en dus eigendom van kleine intellectuele minderheden. Maar men vindt dezelfde karaktereigenschappen in de schilderkunst en literatuur terug bij Nederlandstaligen en Franstaligen, maar die men niet terugvindt bij onze Noorder-, Zuider- noch Oosterburen.

Alhoewel de godsdienstgerichte mentaliteit een beetje overal afneemt, in België net als overal in Europa, bestaat er geen twijfel dat de onafhankelijke geest van de Belgen t.o.v. de Nederlanders in 1830, ook veroorzaakt werd door het verschil in religie.

Er bestaan nog andere uitingen van het nationaal bevoel : de sport. Supporters van voetbal en tennis wuiven enthousiast met onze Belgische driekleur, in binnen- en buitenland. Zijn wij allen niet heel erg trots dat de eerste zowel als de tweede plaats van de wereld in het vrouwentennis ingenomen worden door Belgische meisjes, en dan nog één Vlaamse en één Waalse? Goddank wordt dit kleine onderscheid in de media niet uitgespeeld (!!!).

Er blijft nog een heel belangrijke factor te beschrijven die ik serveer voor de verfijnden onder ons : de Monarchie is niet enkel een symbool van unie maar een realiteit die heel diskreet tewerk gaat. Van Leopold I tot Albert II, hebben onze vorsten, elk op hun eigen manier en met hun eigen karakter, zich volledig voor België gegeven. Elk van de door hen ondernomen en door de regering gedekte initiatieven, hadden slechts tot doel de unie onderling bij de Belgen te bevorderen, en het respect voor België in het buitenland toe te doen nemen.

Om af te sluiten wil ik nog graag een zinnetje met jullie delen dat ik als kind heel vaak hoorde : “Vlamingen en Walen, dat zijn slechts voornamen, Belgen, dat is onze familienaam”.


TERUG
BULLETINS


La Belgique, un ETAT, une NATION
Albert Paternostre, bulletin 4/2003

Certains ‘grands penseurs’ de Belgique et de l’Etranger le déclarent tout net : “La Belgique est un Etat artificiel." Certes le pays n’a pas de frontières naturelles. Ce n’était cependant pas le cas du temps de Jules César puisque à cette époque, le territoire des populations belges s’étendait entre la Seine, la Mer du Nord et le Rhin. Les vicissitudes de l’Histoire ont eu pour conséquence sa réduction à la moitié de ce qu’il était.

Trois groupes linguistiques existent en Belgique, c’est vrai. Si problèmes il y a eu, ils sont théoriquement résolus, sauf quelques cas particuliers. Les Flamingants du XIXe siècle étaient de bons patriotes et en suppliant qu’on respecte leur langue, ils n’envisageaient nullement une division du pays; ils se sentaient bien belges.

Des frontières naturelles et une homogénéité linguistique favorisent la création ou le maintien d’un Etat d’une Nation.

L’Etat belge tel que nous le connaissons est né de la Révolution de 1830. Avant cette date, les Belges ont été gouvernés, après Charles Quint, par le roi d’Espagne, ensuite par l’empereur d’Autriche. Politiquement depuis la scission des Pays-Bas sous Philippe II, nos régions ont été gouvernées par des princes étrangers qui ont toujours considéré celles-ci comme une entité spécifique peuplée de Belges difficiles à ... gouverner.

Mais il est d’autres facteurs et non des moindres qui peuvent suppléer les handicaps cités plus haut.

Le premier que je prendrai en considération est l’amour de la liberté. Ce sentiment s’est déjà manifesté sous Jules César qui a reconnu que de tous les Gaulois, les Belges étaient les plus braves. Car ils se sont battus jusqu’à la mort pour rester belges et refuser de devenir des subordonnés de Rome. Mais ces derniers étaient les plus forts. Cette obsession de liberté a provoqué, au cours de notre histoire des révoltes du peuple contre leurs princes issus de familles nobles certes mais la plupart du temps, étrangères. Des exemples sont nombreux : Jacques Van Artevelde contre le comte de Flandre, allié du roi de France; la révolte des Brugeois en 1302 contre le roi de France; les comtes d’Egmont et Hornes qui ont résisté à la politique du duc d’Albe, émissaire du roi d’Espagne; la révolution de 1790 contre l’empereur d’Autriche et finalement la fameuse Révolution de 1830 contre le roi de Hollande.

Connaissant la personnalité du prince Léopold de Saxe-Cobourg-Gotha, est-il pensable qu’il ait accepté la couronne du royaume de Belgique, s’il n’avait pas été convaincu du caractère national de la population qu’il savait difficile à gouverner.

Depuis 1830, nos gouvernants sous l’impulsion de nos rois ont résisté à toute tentative d’armées étrangères de traverser notre pays, avec l’arrière-pensée de l’occuper ou de s’en emparer. Chaque fois la population a approuvé leurs décisions. Les Belges se sont battus en 1914 et en 1940; ils ont organisé la résistance à l’occupant, ne craignant pas les exactions de l’ennemi et en sacrifiant leur vie.

Un deuxième facteur favorisant la vie d’un Etat est la succession des épreuves subies qui ont créé un esprit de solidarité entre les membres qui le composent. Les guerres de 14-18 et 40-45 ont montré jusqu’à quel point il est patent. L’homme politique Jules Destrée qui avait déclaré en 1912, ( donc avant la guerre ) dans la Lettre au Roi sur la séparation de la Flandre et de la Wallonie : ”.....Sire, il n’y a pas de Belges”, est revenu sur sa déclaration en mai 1916. Dans La Grande Revue française il écrit : “....les Belges ont manifesté une volonté de vivre en commun, une volonté de liberté et d’indépendance....Ainsi la Belgique est une nation, indestructiblement.” ( Ces deux textes sont repris dans le livre : Le grand siècle de la nationalité belge, tome 2, de 1830 à 1918 ) de Jean Stengers et Eliane Gubin, éditions Racine.

Nous n’avons pas de fleuves faisant office de frontières mais l’Escaut et la Meuse coulent du Sud vers le Nord et créent des liens commerciaux entre les industriels des bassins du Borinage, de Charleroi, de Liège, et les commerçants des ports de Zeebrugge et d’Anvers. Nos souverains ont favorisé la construction de canaux qui forment une toile d’araignée reliant entre elles, toutes les régions du pays. Est-ce cela le fait d’un Etat artificiel ?

Le folklore est aussi une manifestation du sentiment national. Bien qu’il appartienne en priorité aux petites entités telles que les communes, on retrouve des expressions similaires au Sud et au Nord du pays ; les échassiers de Namur ne ressemblent-ils pas à ceux de Merchtem ? (Ils portent les mêmes couleurs, jaune et rouge) ! Les géants d’Ath sont-ils d’une autre espèce que ceux de Vilvoorde, par exemple ?

Les arts sont plus éclectiques et donc l’apanage de petites minorités intellectuelles. Mais on trouve dans la peinture et la littérature des traits de caractère communs chez les néerlandophones et francophones qu’on ne retrouve pas chez nos voisins du Sud, du Nord ou de l’Est.

Bien que le sens religieux s’estompe un peu partout non seulement en Belgique mais dans toute l’Europe, il ne fait pas de doute que les différences de religion entre la Belgique et la Hollande ont favorisé l’esprit d’indépendance des Belges vis-à-vis des Hollandais en 1830.

Il existe d’autres expressions du sentiment national : le sport. Les supporters du football et du tennis à l’étranger agitent en nombre des drapeaux aux couleurs nationales. Ne sommes-nous pas fiers de ce que les deux premières places au classement mondial des joueuses de tennis soient occupées par des Belges et qui plus est, une flamande et une wallonne. Grâce à Dieu, cette distinction ne se dit pas dans les journaux télévisés.

Il reste un facteur très important et je le réserve pour les fines bouches : la monarchie; elle n’est pas seulement un symbole d’union mais une réalité agissante très discrète. De Léopold Ier à Albert II, nos rois chacun avec leur personnalité propre, se sont donnés à la Belgique, corps et âme. Toutes leurs initiatives couvertes par le gouvernement n’avaient d’autres objectifs que l’union des Belges et le respect de la Belgique par l’Etranger.

Pour conclure, reprenons un vieux refrain que j’ai entendu bien souvent dans mon enfance : “Flamands et Wallons ne sont que des prénoms, Belges est notre nom de famille”.

RETOUR


(c) Copyright - Pro Belgica vzw-asbl - 2008.