TIJDSCHRIFTEN


Boudewijn I, Koning van alle Belgen
Othon Geelhand de Merxem, tijdschrift 3/2000

Reeds zeven jaar geleden stierf Boudewijn I, Koning van alle Belgen, in Spanje.

Wij zullen ons hier niet in de goedkope sentimentaliteit storten, daar zijn andere publicaties voor.

Zeven jaar laten al toe om een eerste evaluatie te maken van dit lange koningschap, dat spijtig genoeg niet een vervolg was van gelukkige en verheven evenementen die ons zouden toelaten van te jubelen.

Boudewijn I had maar een doel, gedurende die lange jaren, de voorspoed van België en zijn inwoners, en dat dikwijls tegen de wil van zijn leiders. Door de feit dat hij geen enkele macht mocht uitoefenen bleef het bij discrete raadgevingen, zo discreet, dat het bijna om een zwijgplicht ging.

Voor een eerlijk man moet deze rol ongemakkelijk geweest zijn en soms ook weerzinwekkend.

De markante gebeurtenissen van dit lange koningschap waren een ophoping van feiten zowel jammerlijk als laag bij de grond welke de Koning constitutioneel moest slikken dat hij het wou of niet.

Wij zouden hier een lange lijst kunnen opmaken van nare feiten waarvoor hij door bepaalde mensen (politiekers en universitaire lichten) gedeeltelijk verantwoordelijk wilde gesteld worden en dit door lafheid en de vrees van het oordeel van de geschiedenis.

Wij zouden hier kunnen spreken over de gemiste onafhankelijkheid van Kongo, een kolonie die alom geprezen werd als een parel in zijn genre, in vergelijking met haar buurlanders; ondanks wat bepaalde verlichte geesten ons vandaag vertellen, zodanig verlicht dat zij er door verblind zijn. De hedendaagse mode berust op zelf vernietiging en collectief masochisme, op vertellingen en feiten die hun oorsprong vinden in voorvallen die bepaalde mensen geschiedenis noemen... Gelukkig zal de tijd dat allemaal rechttrekken.

Wij zouden hier kunnen spreken over de briljante oorsprong van ons federalisme (wat in feite geen kwaad op zich is), van alle "walen buiten", de herverdeling tussen twee taalgemeenschappen van een bibliotheek, gift van het buitenland, en dit per boekdeel, en uit eindelijk van de haat, uit de grond gestampt daar die niet bestond.

Wij zouden hier kunnen spreken over de architecturale vernietiging van onze steden en in het bijzonder van onze hoofdstad, de gigantische onnodige werken, al de miljarden verslonden door een bepaalde politieke klasse, aangemoedigd door zakenlui die vandaag de dag achter de tralies zouden zijn voor het verduisteren van publieke gelden.

Wij zouden mogen spreken over tal en tal van krenterigheden en verduisteringen die in dit land een belang hebben genomen wat het nooit hadden moeten nemen.

Dat een crimineel van gemeen recht de grondvesten van de Staat in het gedrang brengt zegt genoeg over haar pseudo-stabiliteit.

Gedurende die periode hebben wij geldige politiekers gehad, weinig, maar wij hebben er gehad. Mensen voor wie alleen het algemeen belang telde en niet een ongebreidelde eerzucht, mensen die niet bereid waren het belang van heel het land op te offeren voor het hunne. De geschiedenis zal hen niet vergeten.

Wij hebben gelukkige momenten gekend op nationaal vlak maar meestal dank zij de initiatieven van particulieren.

De enige standvastigheid, de enige referentie, de enige rode draad die België gekend heeft, gedurende al die jaren, was Koning Boudewijn.

Inderdaad, wanneer België leek over te hellen naar de anarchie (gelukkig dat er geen kandidaat opdook voor een sterk bewind...) wanneer het buitenland getuig mocht zijn van de taalstrijd, welke zo ruw was als belachelijk en eventueel begrijpbaar in onderontwikkelde landen, was de twijfel groot (en nog voor bepaalde landen) om in ons land te investeren.

Boudewijn I was het scherm tussen middelmatige regeringen, de waarborg van een zekere stabiliteit van België tegenover het buitenland dat niet kon begrijpen, en nog altijd niet kan begrijpen, wat zo een klein land kan bewegen om zich te verscheuren, om zich te vernietigen, een klein land dat alles heeft om een klein paradijs te zijn.

Boudewijn I van wie de eerlijkheid, de rechtschapenheid, de morele glans en zijn heldere mensenkennis vele avant-garde intellectuelen stoorden, was een vorst van wie men een morele opinie bijna niet toeliet.

Wij Belgen mogen erkentelijk zijn tegenover die eenzame man die standvastig bleef in al dat irrationeel gewoel en dit gedurende zo lange jaren.

Wij moeten durven aannemen, dat indien wij de voordelen tegenover de nadelen moesten afwegen om Koning te zijn, er weinig kandidaten zouden zijn voor deze ondankbare taak.

Koning zijn van alle Belgen is geen sinecure, in verhouding tot de functie van President van een Republiek (functie begrensd in tijd). Een President van een Republiek die zijn fortuin heeft opgebouwd en die zijn rechten heeft overschreden verdwijnt na enkele jaren. Hij mag luidop zeggen wat hij denkt, artikels schrijven, zijn memoires opstellen ; de Koning, die moet zwijgen en slikken en nog eens slikken.

Maar in een crisisperiode draait iedereen zich naar hem toe, omdat

Hij de Koning is van alle Belgen.


TERUG
BULLETINS


Baudouin I, Roi de tous les Belges
Othon Geelhand de Merxem, bulletin 3/2000.

Il y a sept ans déjà que Baudouin I, Roi de tous les Belges, décédait en Espagne.

N’entrons pas dans une sentimentalité à bon marché, d’autres publications s’en chargent...

Sept ans permettent déjà un début d’évaluation de ce long règne non émaillé d’une suite d’événements heureux et grandioses permettant de belles envolées lyriques.

Pendant ces longues années, Baudouin I ne chercha que le bien de la Belgique et de ses habitants, souvent contre la volonté même de ses dirigeants, n’ayant aucun pouvoir sinon celui de “conseiller” et ce, avec une extrême discrétion... confinant au silence. Pour un honnête homme, ce rôle devait être inconfortable sinon parfois révoltant.

Les événements marquants qui ont émaillé ce long règne furent un amoncellement de faits aussi lamentables que minables que le Roi a dû - qu’il le veuille ou non - avaler constitutionnellement.

Nous pourrions établir ici une longue liste de faits désolants dont certains (hommes politiques ou lumières universitaires), par lâcheté et peur du jugement de l’Histoire, ont voulu faire endosser au Roi une responsabilité partielle. Nous pourrions évoquer l’indépendance ratée du Congo, colonie à l’époque unanimement reconnue comme une perle du genre en comparaison de ses voisines, malgré ce que racontent actuellement des esprits tellement éclairés qu’ils en sont aveuglés. Évidemment la mode est à l’autodestruction, ou masochisme collectif, surtout basée sur les faits divers, la toute petite histoire que certains appellent l’histoire tout court. Heureusement le temps redressera tout...

Nous pourrions évoquer ici les brillantes origines de notre fédéralisme (qui n’est pas un mal en soi), les “Walen buiten”, la redistribution entre deux communautés linguistiques d’une bibliothèque, don de l’étranger, par volumes, la haine créée là où elle n’existait pas.

Nous pourrions évoquer les massacres architecturaux de nos villes et de notre capitale, des travaux inutiles gigantesques, des milliards engloutis par une certaine classe politique encouragée et poussée par des hommes d’affaires qui aujourd’hui seraient en prison pour détournement de biens publics.

Nous pourrions évoquer tant et tant de mesquineries et de malversations qui, dans ce pays, ont pris une importance qu’elles n’auraient jamais dû prendre. Qu’un criminel de droit commun puisse déstabiliser tout un État et ses rouages est la meilleure preuve de sa pseudo-validité.

Nous avons eu, en cette période, des hommes politiques valables. Peu, mais il y en a eu... Des hommes pour qui comptait uniquement le “bien public” et non une ambition effrénée, des hommes qui ne sont pas prêts à sacrifier les intérêts de tout un pays aux leurs propres. L’Histoire se souviendra d'eux.

Nous avons connu des moments heureux au point de vue national, mais la plupart du temps dus à l’initiative de particuliers.

La seule constante, la seule référence, le seul fil rouge que la Belgique a connu pendant toutes ses années, c’est le Roi Baudouin. En effet, lorsque la Belgique semblait prête à basculer dans l’anarchie (heureusement pour elle qu’aucun candidat au pouvoir fort... ne fit son apparition !), lorsque l’étranger put assister à des luttes linguistiques aussi âpres que ridicules, compréhensibles éventuellement dans des pays en voie de développement, les hésitations d’investir dans cet aussi petit pays furent plus que sérieuses (c’est d’ailleurs encore le cas pour certains pays).

Baudouin I fut le paravent de gouvernements médiocres, la garantie d’une certaine stabilité de la Belgique vis-à-vis de pays étrangers qui ne comprenaient pas - et ne comprennent toujours pas - ce qui agite ce petit pays, qui fait tout pour s’entredéchirer et se détruire, lui qui a tout pour être un paradis.

Baudouin I dont l’honnêteté et la droiture, dont l’éclat moral et la lucidité dérangeaient nombre d’intellectuels dits d’avant-garde, fut un Souverain à qui on n’a presque même pas permis d’avoir une opinion morale personnelle.

Nous, Belges, pouvons être reconnaissants envers cet homme profondément seul qui a tenu bon face à ces tumultes irrationnels pendant ces longues années. Osons admettre que si, dans ce pays, on devait peser les avantages d’être Roi par rapport aux désavantages, il y aurait très peu de candidats à ce poste ingrat.

Être le Roi de tous les Belges n’est pas une sinécure par rapport à la fonction de Président d’une République (fonction bien limitée dans le temps). Un Président de la République ayant fait fortune et ayant outrepassé ses droits disparaît après quelques années. Il peut dire tout haut ce qu’il pense, écrire des articles, rédiger ses Mémoires... Le Roi, lui, doit se taire et avaler, et avaler encore...

Mais en période de crise, tous les regards se tournent vers lui...

car il est le Roi de tous les Belges.

RETOUR


(c) Copyright - Pro Belgica vzw-asbl - 2008.