TIJDSCHRIFTEN


Toespraak in de Kamer van Volksvertegenwoordigers
Generaal-majoor Everaert, gewezen voorzitter van Pro Belgica, 11 november 1997

Mijnheer de Voorzitter,

Ook deze maal dank ik u ons te willen ontvangen in het Natiënpaleis met een vertegenwoordiging van de “anciens” en een deel van de jeugd van ons land.

Verleden jaar hebt u ons welwillend geantwoord en ons bevestigd dat u argwanend zou toezien op het separatisme om de scheiding van ons land te verhinderen.

Ik neem de vrijheid u aan deze belofte te herinneren want men vergeet toch zo gemakkelijk.

Immers, wij stellen opnieuw vast dat politieke mandatarissen in de media het probleem actualiseren op een zulkdanige manier dat de bevolking in een algemene onverschilligheid er zou kunnen mee akkoord gaan. En”de onverschilligheid is een misdaad tegen de mensheid”. Sommigen gaan zelfs zover om te gewagen van een republiek waarin de Koning uitsluitend een representatieve rol zou vervullen.

Mijnheer de Voorzitter, ik kan het haast niet geloven, maar het schijnt dat het Vlaams Parlement zou gestemd hebben “een premie toe te staan aan de vrienden van de nazi’s, slachtoffers van de repressie”. Mijn vrienden en ikzelf willen hierover onze diepste verontwaardiging uitspreken want dit raakt ons midden in ons hart.

Dit is het beste voorbeeld van wat ooit Talleyrand beweerde : “Het verraad is een kwestie van datum”.

Indien een dergelijke toegeving ooit werkelijkheid moest worden, dan zullen wij nog de moed hebben om, zoals er een witte mars werd gehouden, een driekleurige mars te organiseren, in de hoop dat onze optocht meer succes zou kennen dan de commissie Dutroux, waarin zich spijtig genoeg enkele parlementariërs bevinden, die gemakkelijk woordbreuk plegen.

Tenslotte, vermits “regeren, vooruitzien betekent” bestaat er nog een taboeonderwerp waarover wij op deze plaats zeer weinig horen spreken, namelijk de onveiligheid en de immigratie.

Het is u wel bekend hoe delicaat het wordt om zich op straat te begeven omwille van alle soorten agressiviteit ; de ordediensten zijn hopeloos voorbijgestreefd, er zijn zelfs plaatsen waar zij niet meer durven tussenkomen.

Verre van een racist te zijn, verlang ik nochtans om baas te zijn in eigen huis en te leven in volle vrijheid en veiligheid. Daarom vraag ik u dit cruciaal probleem zeer oplettend te volgen, want indien door laksheid dit niet het geval zou zijn dan zou het kunnen dat in de toekomst de jongeren van ons land onder het juk van het conservatisme belanden en lopen wij het gevaar dat ondertussen een extremist opstaat die onmiddellijk, zoals het gebeurde met Degrelle, een overweldigend electoraal succes zou kennen. En dit willen wij niet meer beleven.

Bovendien vrees ik dat indien het komt tot een open confrontatie met de ordediensten, deze op voorhand het onderspit zouden delven (Bara).

Als besluit wil ik erop wijzen dat wij, de “anciens”, u in 1945 één van de mooiste geschenken hebben gegeven, de vrijheid en de vrede, en dit ten koste van ontelbare offers. Er bleef u een land over om erop te bouwen, om er een parel van te maken. Vier en vijftig jaar later toont u aan de wereld een beeld van een deerniswekkend België.

Opiniepeilingen tonen zeer duidelijk dat wij geen vertrouwen meer hebben in dit soort democratie ; immers, 22% geven nog hun vertrouwen aan het parlement en het leger, en minder dan 50% aan de democratie. Het ware wenselijker dat men zich in deze ruimte minder zou bekommeren om het geslacht van de engelen ; met andere woorden, om in het Nederlands of in het Frans geschreven straatnamen in de faciliteiten gemeenten en evenmin om de laatste Belgische mop betreffende het beendermeel van een gekke koe.

Wij leven in een prachtig land, België, waarvan de grote meerderheid samen wil leven.

Mijnheer de Voorzitter, aan een man van uw formaat en met een zeer hoge functie, evenals aan de heer Swaelen, Voorzitter van de Senaat, vraag ik met aandrang aan de Belgen de eer en fierheid terug te schenken Belg te zijn.


TERUG
BULLETINS


Allocution à la Chambre des Représentants
Général-Major Everaert, ancien président de Pro Belgica, le 11 novembre 1997

Monsieur le Président,

Je vous remercie une fois de plus de nous recevoir ici au Palais de la Nation, avec les anciens et une partie des jeunes de notre pays.

L’année passée vous aviez bien voulu nous répondre en nous affirmant que vous seriez attentif au séparatisme pour éviter l’éclatement du pays.

Je me permets de vous rappeler cette promesse parce qu’on oublie si vite ! Or, nous entendons s’élever des voix d’hommes politiques qui remettent le problème en pâture aux médias de telle sorte que la population pourrait s’y faire et ce, dans l’indifférence générale. Et, “l’indifférence est un crime contre l‘humanité”. Certains vont jusqu’à parler de république où le Roi aurait un rôle de potiche.

Monsieur le Président, je n’ose y croire, il semblerait que le Parlement flamand aurait voté “une prime aux amis des nazis soi-disant victimes de la répression”. Nous marquons ici, mes amis et moi, notre profonde indignation et nous avons mal au fond de l’âme.

Cela illustre bien ce que disait Talleyrand : “La trahison est une question de date”.

Si un tel abandon devait se faire jour, au même titre qu’il y a un jour eu une marche blanche, nous aurons encore la force d’organiser une marche tricolore. En espérant qu’elle ait une fin plus heureuse que la Commission Dutroux où se trouvent hélas des parlementaires parjures.

Alors enfin puisque “gouverner c’est prévoir”, il existe un sujet tabou dont nous entendons rarement parler dans ces lieux : c’est l’insécurité et l’immigration.

Vous n‘ignorez pas qu‘il devient délicat d‘être dans la rue, suite aux agressions de tous genres; les services d’ordre sont complètement dépassés, il y a même des endroits où ils n’osent plus intervenir.

Loin d’être raciste, je désire être maître chez moi et vivre en toute liberté et sécurité, et vous demande d’être attentif à ce problème crucial, car si par faiblesse vous ne l’étiez pas, demain, les jeunes de notre pays seront sous la coupe de l’intégrisme, avec le danger qu’entre-temps un extrémiste sortant du rang ne récolte subitement, comme le fit un jour un certain Degrelle, un énorme succès électoral. Et cela, nous ne voulons plus le revoir.

De plus, je crains qu’en cas de bataille rangée avec les forces de l’ordre, celles-ci soient battues d’avance (Bara).

Pour terminer, nous ici, les anciens, nous vous avons offert, en 1945, le plus beau des cadeaux, la liberté et la paix, et ce, au prix de tant de sacrifices. Il vous restait un pays à construire, dont vous auriez pu faire un bijou.

Cinquante quatre ans après, vous offrez au monde l’image d’une Belgique lamentable.

Les sondages indiquent clairement que nous n’avons plus confiance dans ce genre de démocratie ; en effet, 22% font encore confiance au Parlement et à l’armée, et moins de 50% à la démocratie. Il serait souhaitable que dans cette enceinte, vous vous occupiez moins du sexe des anges ; en d’autres termes, du nom des rues, en français ou en flamand, dans les communes à facilités, ainsi que de la dernière farce belge, je pense à la farine de la vache folle.

Nous sommes dans un pays merveilleux, la Belgique, où la grande majorité veut vivre ensemble.

Monsieur le Président, avec votre envergure et vos éminentes fonctions, ainsi que Monsieur Swaelen, président du Sénat, je vous conjure de redonner aux Belges l’honneur et la fierté de l’être.

RETOUR


(c) Copyright - Pro Belgica vzw-asbl - 2008.